Nader verklaard

Een aantal termen zijn hieronder beschreven;

 

Gevoels Temperatuur

Ook wel Wind chill genoemd.

De wind chill houdt rekening met het feit dat wind ons gevoel van temperatuur beïnvloedt. Ons lichaam verwarmt de lucht direct om ons heen op door warmte uitstraling vanaf de huid. Als er geen luchtstroming is, ontstaat er een isolerende laag om ons heen waar koudere lucht moeilijk doorheen kan.
Wind kan echter deze isolerende laag wegblazen waardoor de huid meer warmte gaat afgeven.
Het lichaam koelt af en het voelt kouder aan. Hoe harder het waait hoe groter dit effect zal zijn. Boven 32,7ºC heeft de wind geen invloed meer op de gevoelstemperatuur.

 

Dauwpunt

Ook wel Dew-point genoemd.

Dew-point is de temperatuur tot waar de lucht moet worden afgekoeld zodat een vochtgehalte in de lucht van 100% ontstaat.
Dit is belangrijk in de voorspelling van het ontstaan van dauw en mist.
Als de temperatuur en het dew point in de namiddag dicht bij elkaar liggen en de temperatuur neemt verder af dan is er grote kans op mist.

 

Hitte Index

Ook wel Heat index genoemd.

De Heat Index is de tegenhanger van de gevoelstemperatuur. Bij warm weer beïnvloedt de vochtigheid het gevoel van de buitentemperatuur.
Bij hoge vochtigheid kan het lichaam minder goed vocht afstaan aan de lucht dus koelt het lichaam minder af. Bij droge lucht echter kan het lichaam veel vocht afstaan waardoor de temperatuur van het lichaam daalt. Dit effect treedt pas op als de temperatuur boven 14ºC is.

 

Windsnelheid

De windsnelheid wordt meestal uitgedrukt in meters per seconde, knopen of kilometers per uur. De windsnelheid wordt voor in de meteorologische berichtenuitwisseling bepaald over periodes van 10 minuten. Wanneer in het weerbericht wordt gesproken over windkracht 8 dan wordt verwacht dat de windsnelheid gemiddeld over 10 minuten tussen 17,2 en 20,7 m/seconde (62-74 km/uur) ligt. Zo hoort bij elk van de dertien klasse nummers volgens de schaal van Beaufort een gemiddelde.
In de scheepvaart werkt men met knopen: één knoop komt overeen met 0,5144 m/seconde.

Actuele informatie bij storm gaat over het 10 minuut-gemiddelde of kortdurende windstoten.
Voor klimatologische statistieken en vergelijking van stormen wordt gebruik gemaakt van uurgemiddelden. Klimatologen spreken van een zware storm wanneer de windsnelheid ergens boven land een uurgemiddelde haalt van windkracht 10, dat wil zeggen tussen 24,5 en 28,4 m/seconde (89-102 km/uur).

 

Windschaal van Beafort

kracht

benaming

wind* km/h wind* m/sec

uitwerking boven land en bij mens

0 stil 0-1 0-0,2 rook stijgt recht of bijna recht omhoog
1 zeer zwak 1-5 0,3-1,5 windrichting goed af te leiden uit rookpluimen
2 zwak 6-11 1,6-3,3 wind merkbaar in gezicht
3 vrij matig 12-19 3,4-5,4 stof waait op, vlaggen wapperen
4 matig 20-28 5,5-7,9 haar in de war; kleding flappert
5 vrij krachtig 29-38 8,0-10,7 bladeren van bomen ruisen, vuilcontainers waaien om
6 krachtig 39-49 10,8-13,8 paraplu's met moeite vast te houden
7 hard 50-61 13,9-17,1 het is lastig tegen de wind in te lopen of te fietsen
8 stormachtig 62-74 17,2-20,7 voortbewegen zeer moeilijk, takken breken af
9 storm 75-88 20,8-24,4 schoorsteenkappen en dakpannen waaien weg
10 zware storm 89-102 24,5-28,4 grote schade aan gebouwen, bomen ontwortelen
11 zeer zware storm 103-117 28,5-32,6 flinke schade aan bossen
12 orkaan >117 >32,6 veel wordt vernield, mogelijk verwoestingen

* = gemiddelde snelheid over minstens 10 minuten gemeten.

 

Zonsopgang & Zonsondergang 

Van zonsopgang spreken we als het bovenste randje van de zon boven de horizon verschijnt. Van zonsondergang spreken we als het bovenste rand van de zon onder de horizon verdwijnt. Zodra de zon 's avonds is ondergegaan begint de burgerlijke schemering. Dan is kunstverlichting nodig en verschijnen de eerste heldere sterren en planeten.

De zon komt in het oosten op en gaat in het westen onder.
Die bewering, die we vaak horen, geldt eigenlijk slechts voor twee dagen in het jaar: de dag waarop de astronomische lente begint en de dag waarop de astronomische herfst begint. Bij het begin van de zomer komt de zon in het midden van Nederland, op een breedtegraad van 52 graden Noorderbreedte, vrijwel in het noordoosten op en gaat zij in de buurt van het noordwesten onder. Bij het begin van de winter is de opkomst in het zuidoosten en de ondergang in het zuidwesten.

Bron: Sterrengids Stichting De Koepel

 

Maanstand

Ook wel Maanfasen genoemd. Omdat de aarde samen met de maan om de zon heen beweegt en slechts een deel van de maanbol verlicht wordt door de zon en omdat de maan om de aarde beweegt zien we de verlichte maan niet altijd of volledig. Zo ontstaan maanfasen. Eén maancyclus duurt ruim 29 dagen; dit is de tijd die de Maan nodig heeft om één ronde om de Aarde af te leggen.

Je hebt verschillende soorten maanfasen, zoals;

Nieuwe Maan

Nieuwe maan

Jonge maansikkel

Eerste kwartier

Wassende maan

Volle maan

Afnemende maan

Laatste kwartier

Asgrauwe Maan

Asgrauwe maan

Eerste/Laatste kwartier is de benaming als de maan precies half is. Wassend/afnemend verwijst naar de hele periode tussen nieuw en vol/vol en nieuw. De vier belangrijkste en bekendste maanfasen zijn: Nieuwe maan: niet te zien. Zon schijnt aan de achterkant Eerste kwartier: de rechter helft is te zien vanaf het noordelijke halfrond Volle maan: de hele voorkant is te zien Laatste kwartier: de linker helft is te zien vanaf het noordelijke halfrond.

 

Neerslagkans

Als neerslag wordt verwacht dan wordt in de weerberichten aangegeven hoe groot de kans is dat het gaat regenen en hoe groot naar verwachting de hoeveelheden zijn. Soms zijn er dagen waarop het vrijwel zeker is dat het gaat regenen, terwijl de prognoses op andere dagen twijfelachtiger kunnen zijn.

Vooral bij buien kunnen de hoeveelheden van plaats tot plaats sterk uiteenlopen en zijn er vaak ook plaatsen waar het droog blijft. Bovendien kan de activiteit van de neerslag op het laatste moment afnemen of groter worden.
Het kanspercentages geldt voor iedere willekeurige plaats in Nederland en is een gemiddelde voor alle plekken in het land. Is die waarde 90 procent dan is het zo goed als zeker dat er die dag op elke willekeurige plaats in ons land neerslag komt. Bij een kans van 10 procent blijft het vrijwel zeker droog en bij 50 procent kan het net zo goed droog blijven als regenen of sneeuwen.

Voorbeelden van kanstermen voor neerslag;

kans omschrijving in weerbericht
10-30% (slechts) een kleine kans op / vrijwel (bijna) nergens / vrijwel (bijna) geen
30-70% kans op mogelijk / hier en daar / plaatselijk / op enkele plaatsen
70-90% grote kans op vrijwel (bijna) overal / waarschijnlijk / op de meeste plaatsen / op veel plaatsen

Bron: KNMI